ECLI:NL:CRVB:2024:1402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ophoging garagevloer buiten badkamergedeelte Wmo-maatwerkvoorziening
Appellant, geboren in 1952 en beperkt in mobiliteit, vroeg op grond van de Wmo 2015 om een maatwerkvoorziening voor een badkamer op de begane grond. Het college kende hem een badkamer toe in de garage, maar wees het verzoek af om de gehele garagevloer op te hogen, alleen het deel onder de badkamer wordt verhoogd.
Appellant stelde dat tijdens een gesprek met de wethouder op 27 november 2020 toezeggingen waren gedaan om de gehele garagevloer te verhogen, ondersteund met geluidsopnamen. De rechtbank oordeelde echter dat uit de toezeggingen slechts bleek dat het deel waar de badkamer komt zou worden opgehoogd en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar bracht geen nieuwe gronden aan. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het ophogen van de gehele garagevloer niet noodzakelijk is voor het gebruik van de badkamer en dat het college het verzoek terecht heeft afgewezen.
Het hoger beroep wordt verworpen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het college heeft terecht het ophogen van de garagevloer buiten het badkamergedeelte afgewezen.