Uitspraak
18 december 2023, 23/1680
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een besloten vennootschap, heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in een socialezekerheidszaak. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Het ingediende beroepschrift voldeed hier niet aan.
De gemachtigde van appellante is bij brief van 20 februari 2024 in de gelegenheid gesteld om het ontbreken van beroepsgronden binnen vier weken te herstellen, maar heeft deze termijn ongebruikt laten verlopen. Vervolgens is bij aangetekende brief van 22 maart 2024 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding kan leiden tot niet-inhoudelijke behandeling van de zaak. Ook deze termijn is niet benut.
Er zijn geen redenen aangevoerd die het verzuim rechtvaardigen. Daarom is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter C. Karman in aanwezigheid van griffier A. Giesen op 11 juli 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.