ECLI:NL:CRVB:2024:1449

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juli 2024
Publicatiedatum
22 juli 2024
Zaaknummer
21/4040 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante, een besloten vennootschap, had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake een WIA-zaak. Het UWV diende een verweerschrift in en nam later een gewijzigd standpunt in, waarbij het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante.

Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV stemde hiermee in, inclusief de door appellante opgegeven bedragen. De Raad besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en sloot het onderzoek.

Op grond van de toepasselijke artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van in totaal €4.747,90, inclusief kosten voor rechtsbijstand en een medisch adviseur. Tevens werd het UWV verplicht het betaalde griffierecht van €895,- aan appellante te vergoeden.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante na intrekking van het hoger beroep wegens volledige tegemoetkoming.

Uitspraak

21/4040 WIA
Datum uitspraak: 10 juli 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 oktober 2021, 20/4286 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante B.V.] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.K. Wouterse, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
In een brief van 27 november 2023 heeft het Uwv een gewijzigd standpunt ingenomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft zich kunnen vinden in een veroordeling in de proceskosten alsmede in de door appellante opgegeven bedragen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat appellante het hoger beroep heeft ingetrokken, omdat het Uwv in de brief van 27 november 2023 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
De kosten voor rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 624,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 624,-), op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,-) en € 875,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift), in totaal € 3.249,-. Daarnaast komen de kosten voor het inschakelen van een medisch adviseur in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.498,90 voor vergoeding in aanmerking. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 4.747,90.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 4.747,90;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 895,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van O.N. Haafkes als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2024.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) O.N. Haafkes