ECLI:NL:CRVB:2024:1458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekte door een verkeersongeval, maar het UWV weigerde deze toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Zowel een verzekeringsarts als een arbeidsdeskundige van het UWV hebben haar beperkingen vastgesteld en passende functies geselecteerd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren gemotiveerd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, dat haar beperkingen werden onderschat en dat nieuwe medische informatie onvoldoende werd meegewogen. Zij stelde dat zij volledig arbeidsongeschikt was en dat er meer beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) hadden moeten worden opgenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de medische en arbeidskundige beoordeling voldoende zorgvuldig en inzichtelijk had gemotiveerd. De nieuwe medische informatie betrof een echo van maart 2024, na de beoordelingsdatum, en kon het oordeel niet aantasten. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling of de geschiktheid van de geselecteerde functies.
Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door J.D. Streefkerk op 17 juli 2024.
Uitkomst: De weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.