ECLI:NL:CRVB:2024:1471
Centrale Raad van Beroep
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende gemotiveerde voortzetting WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig senior consultant, ontvangt sinds 2015 een WGA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid tussen 65 en 80%. Het UWV heeft deze uitkering per 17 maart 2020 ongewijzigd voortgezet. Appellant betwist echter dat zijn belastbaarheid juist is vastgesteld en voert aan dat hij meer beperkingen heeft, onder meer door psychische stoornissen en fysieke klachten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid juist was vastgesteld. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was omdat hij niet persoonlijk was gezien door een verzekeringsarts in de bezwaarfase. Tevens voerde hij aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn intensieve behandelingen en beperkingen.
De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek in de bezwaarfase niet zorgvuldig was omdat geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts heeft plaatsgevonden, wat in strijd is met de Awb. Het UWV heeft dit gebrek in hoger beroep hersteld door een spreekuuronderzoek. De Raad vindt het medisch oordeel over de fysieke belastbaarheid verder voldoende gemotiveerd, maar stelt dat het oordeel over de psychische belastbaarheid en de impact van de behandeling onvoldoende onderbouwd is.
De Raad draagt het UWV op binnen acht weken het motiveringsgebrek te herstellen, met bijzondere aandacht voor de aard en impact van de therapie en de vraag of appellant zijn huiswerk naast werk kan verrichten. Hiermee wordt een finale beslechting van het geschil voorbereid.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het motiveringsgebrek in het besluit over de voortzetting van de WGA-vervolguitkering te herstellen.