ECLI:NL:CRVB:2024:148

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2024
Publicatiedatum
25 januari 2024
Zaaknummer
22/218 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:77 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen van Wajong-besluiten uit 2007

Appellant heeft sinds 1978 een Wajong-uitkering ontvangen. In 2007 heeft het UWV besloten de uitkering te beëindigen en terug te vorderen vanwege inkomsten uit arbeid en een lagere arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Appellant heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld, maar deze werden afgewezen. In 2018 verzocht appellant om terug te komen op deze besluiten, wat het UWV afwees wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de aangevoerde gronden geen nieuwe feiten of omstandigheden vormden. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV en de rechtbank onvoldoende rekening hielden met zijn bewijs en dat het UWV ten onrechte stelde dat hij sinds 1999 geen uitkering meer ontving.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het verzoek om terug te komen op besluiten alleen kan slagen bij nieuwe feiten of omstandigheden die niet eerder konden worden aangevoerd. De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe feiten had ingebracht en onderschreef de motivering van de rechtbank. Het hoger beroep werd verworpen, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om terug te komen op de besluiten bleef afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om terug te komen op de besluiten uit 2007 blijft afgewezen.

Uitspraak

22/218 WAJONG
Datum uitspraak: 25 januari 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 december 2021, 19/178 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Met een besluit van 16 mei 2018 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van de besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007 afgewezen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 5 december 2018 (bestreden besluit) bij de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007 gebleven.
Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 november 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C.A.C.M. van Hulzen en vergezeld door zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.
Na sluiting van het onderzoek heeft appellant stukken ingediend.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft beslist dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van de besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007. Volgens appellant is geen recht gedaan aan de bewijzen die hij heeft ingebracht. Hij stelt dat sprake is van nova en dat de over periode van 1 juli 1996 tot en met 30 september 2006 betaalde Wajong-uitkering ten onrechte is teruggevorderd. De Raad volgt dit standpunt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van de eerdere besluitvorming die betrekking heeft op schorsing, beëindiging en terugvordering van de Wajong-uitkering mocht afwijzen.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft vanaf 1978 een uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong, voorheen AAW-uitkering). Op basis van een onderzoek naar aanleiding van een anonieme fraudemelding, neergelegd in een rapport werknemersfraude van 7 september 2006, heeft het Uwv bij besluit van 8 februari 2007 appellant meegedeeld dat zijn Wajong-uitkering per 1 juli 2006 niet wordt uitbetaald in verband met inkomsten uit arbeid. Bij besluit van eveneens 8 februari 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 1 juli 1999 minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht, omdat hij in staat is duurzaam inkomsten te verwerven. Bij besluit van 23 maart 2007 heeft het Uwv de over de periode van 1 juli 1996 tot en met 30 september 2006 betaalde
Wajong-uitkering teruggevorderd.
1.2.
Het bezwaar van appellant tegen de onder 1.1 genoemde besluiten heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 21 juni 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 mei 2008 heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 21 juni 2007 vernietigd voor zover dit zag op een onderdeel van de beslissing op bezwaar dat niet voorligt. Bij de uitspraak van 14 december 2012 heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevochten, bevestigd.
1.3.
Bij brief van 10 april 2018 heeft appellant verzocht om terug te komen van de besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007.
1.4.
Bij besluit van 16 mei 2018 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van de eerdere besluitvorming afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 mei 2018 ongegrond verklaard onder verbetering van de motivering. Het Uwv is daarmee gebleven bij de weigering om terug te komen van de besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat de gronden van appellant terecht niet zijn aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden. Appellant had deze al veel eerder kunnen aanvoeren, in ieder geval voorafgaande aan het besluit van 21 juni 2007, nadat hij kennis had gekregen van de opgemaakte processen-verbaal. Ook heeft appellant alle gronden al aangevoerd in het beroep en hoger beroep tegen het besluit van 21 juni 2007. Het standpunt van het Uwv dat appellant inkomsten uit verhuur van drie panden heeft gehad die fiscaal gezien het karakter van normaal vermogensbeheer te boven gingen, berust niet alleen op verklaringen over door appellant zelf verrichte onderhoudswerkzaamheden aan de panden, maar ook op verklaringen over het samen met zijn echtgenote structureel verrichten van administratieve werkzaamheden en het nemen van beheers- en beleidsbeslissingen. Ook die laatste werkzaamheden kunnen in aanmerking worden genomen ter onderbouwing van het standpunt van het Uwv en volgens de uitspraak van de Raad van 14 december 2012, voldoende grondslag vormen om voor de toepassing van de Wajong af te wijken van de fiscale keuze die appellant samen met zijn echtgenote heeft gemaakt. De rechtbank heeft de verklaring van de getuige Antonia van 3 september 2014 en ook de ter zitting van de rechtbank van 20 oktober 2020 afgelegde verklaring niet betrokken bij de beoordeling, omdat appellant pas in beroep heeft aangevoerd dat Antonia zijn verklaring heeft ingetrokken en met nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden na de beslissing op bezwaar geen rekening hoeft te worden gehouden. Gezien het voorgaande is niet van belang of de uitspraak van de Raad van 14 december 2012 door de voorzitter van de kamer die de zaak heeft behandeld is ondertekend. Opmerking verdient overigens dat artikel 8:77, eerste lid, van de Awb niet eist dat het aan partijen toegestuurde afschrift van een uitspraak door de rechter (voorzitter) die de zaak heeft behandeld, wordt ondertekend. Buiten bespreking kan ook blijven wat appellant heeft aangevoerd over de mening van de klachtenambassadeur van het Uwv omdat die mening ook niet kan worden beschouwd als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er te weinig aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de in geding zijnde weigering evident onredelijk is. Het lijden van appellant is zonder meer aannemelijk, maar is niet doorslaggevend omdat appellant ook in deze procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat de besluiten inhoudelijk gezien onmiskenbaar onjuist zijn. Verder laat de rechtbank in dit verband wegen dat appellant pas in 2018 heeft verzocht om terug te komen van de betreffende besluiten. Van belang is ook nog dat appellant aan zijn verzoek geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd dan hij al in bezwaar en (hoger) beroep tegen de besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007 had aangevoerd.
Het hoger beroep van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat geen recht is gedaan aan de bewijzen die hij heeft ingebracht omdat het Uwv en de rechtbank niets hebben gedaan met de bewijzen die hij heeft aangeleverd. Hij heeft verwezen naar wat in beroep is aangevoerd. Ook was het Uwv, anders dan in de aangevallen uitspraak is vermeld, niet aanwezig bij de zitting van de rechtbank. Verder heeft het Uwv ten onrechte gesteld dat appellant sinds 1999 geen uitkering meer heeft ontvangen, omdat hij tot 2006 een uitkering heeft ontvangen.

Het oordeel van de Raad

4.1
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit, waarbij het verzoek van appellant om terug te komen van de besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007 is afgewezen, in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
4.3.
In geding is de afwijzing van het verzoek van appellant om terug te komen van de besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007.
4.4.
Terecht heeft het Uwv het verzoek van appellant opgevat als een verzoek om terug te komen van zijn besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zal worden getoetst of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, zal aan de hand van de beroepsgronden worden beoordeeld of het bestreden besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115). Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 30 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO8674) kunnen nieuwe stukken ter onderbouwing van de ingenomen stellingen uiterlijk in de bezwaarfase worden ingebracht.
4.5.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen die aan dat oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, zoals weergegeven onder 2. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
4.6.
Ook hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Deze feiten heeft appellant immers al aangevoerd in de eerdere procedure waarover de Raad op 14 december 2012 uitspraak heeft gedaan. Dat het Uwv niet aanwezig was bij de zitting van de rechtbank van 14 september 2021 wordt niet betwist door het Uwv. Hoewel appellant kan worden toegegeven dat ten onrechte in de aangevallen uitspraak de aanwezigheid van het Uwv is vermeld, kan dit niet leiden tot een ander oordeel. In de brief van 21 oktober 2022 heeft het Uwv op verzoek van de Raad de vraag naar het uitkeringsverloop van appellant en eventuele nog lopende procedures naast de huidige procedure beantwoord. In de inhoud van dit antwoord wordt geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen.
4.7.
Gelet op 4.5 en 4.6 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden en geen aanleiding bestaat om terug te komen van de besluiten van 8 februari 2007 en 23 maart 2007.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van de besluiten uit 2007 in stand blijft.
6. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2024.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) D. Schaap

Bijlage

Artikel 4:6, van de Algemene Wet bestuursrecht
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.