Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1492

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2024
Publicatiedatum
23 juli 2024
Zaaknummer
23/2306 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing maatwerkvoorziening in de vorm van een inloopbad of -douche bevestigd

Appellante, geboren in 2006 en bekend met diverse aandoeningen die haar beperken bij het gebruik van het bad op de eerste verdieping, vroeg het college om een maatwerkvoorziening in de vorm van een inloopbad of -douche. Het college vroeg medisch advies aan Argonaut, dat concludeerde dat de badkamer op de begane grond geschikt is voor appellante mits voorzien van een anti-slipbehandeling en een douchestoel of -kruk.

Het college wees de aanvraag af op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de aanpassingen aan de begane grond algemeen gebruikelijk zijn en dat het gebruik van de inloopdouche op de begane grond een reële oplossing biedt, ondanks dat dit minder handig is.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat de badkamer op de eerste verdieping sinds 2006 niet is gewijzigd en dat zij dagelijks het risico loopt te vallen bij gebruik van het bad. De Raad beoordeelde het hoger beroep en onderschreef de overwegingen van de rechtbank volledig. Appellante heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn of waarom het standpunt van het college onjuist is.

Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Appellante krijgt het betaalde griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de maatwerkvoorziening bevestigd.

Uitspraak

23/2306 WMO15
Datum uitspraak: 11 juli 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 juni 2023, 22/4849 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft haar moeder, [naam moeder], wettelijk vertegenwoordiger, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 mei 2024. Namens appellante is haar moeder verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.S. Groot en S. Bodt.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 2006, is bekend met verschillende aandoeningen die haar beperken bij het gebruik van het bad op de eerste verdieping.
1.2.
Nadat appellante zich bij het college had gemeld voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een inloopbad of -douche, heeft het college aan Argonaut medisch advies gevraagd. Argonaut heeft geconcludeerd dat de badkamer op de begane grond geschikt is voor appellante als het douchegedeelte wordt voorzien van een anti-slipbehandeling en een douchestoel of -kruk wordt geplaatst.
1.3.
Bij besluit van 1 april 2022 heeft het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de aanvraag van appellante voor de in 1.2 bedoelde maatwerkvoorziening afgewezen. Het college heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2022 (bestreden besluit). Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellante de beperkingen in de zelfredzaamheid op eigen kracht en met algemeen gebruikelijke voorzieningen kan verminderen of wegnemen door de badkamer op de begane grond met minimale aanpassingen geschikt te maken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen. Niet in geschil is dat appellante gebruik kan maken van de inloopdouche op de begane grond, na kleine aanpassingen. Het gebruik van deze douche is voor appellante onbetwist minder handig, omdat zij over een gladde vloer daarheen moet lopen. Appellante kan gebruik maken van schoeisel met ruwe zolen. Dat appellante haar schoeisel aan en uit moet trekken is niet zodanig bezwarend dat het gebruik van de inloopdouche op de begane grond geen reële oplossing meer is voor haar. De aanpassingen die nodig zijn, een anti-slipbehandeling en een douchestoel of -kruk, zijn algemeen gebruikelijk, zodat daarvoor geen maatwerkvoorziening hoeft te worden verstrekt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat, anders dan in het onderzoeksverslag staat, bij een verbouwing in 2012 niet opnieuw een bad is geplaatst in de badkamer op de eerste verdieping. Die badkamer, met een douche en een bad, is sinds 2006 niet gewijzigd. Appellante heeft verder aangevoerd dat ze door haar aandoening bij het gebruik van het bad op de eerste verdieping elke dag het risico loopt om te vallen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante heeft aangevoerd of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het college de aanvraag van appellante op goede gronden heeft afgewezen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd raakt niet aan wat het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Daarmee heeft appellante niet duidelijk gemaakt waarom de rechtbank tot een ander oordeel over het bestreden besluit had moeten komen. Evenmin heeft appellante duidelijk gemaakt waarom het hierboven onder 1.3 weergegeven standpunt van het college onjuist is.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.1.
Appellante krijgt het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2024.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) C.K. Teunissen