ECLI:NL:CRVB:2024:1498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellante was laatstelijk werkzaam als kassamedewerkster en meldde zich ziek in 2010 met diverse klachten. Het UWV stelde in 2013 vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en wees haar geschikt voor meerdere functies. Na een nieuwe ziekmelding in 2016 en een beoordeling in 2017 stelde het UWV opnieuw vast dat appellante geschikt was voor haar eigen werk, waarna haar recht op ziekengeld werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de medische rapporten van het UWV voldoende zorgvuldig achtte. De door appellante ingeschakelde arts Derks stelde beperkingen vast die vooral gebaseerd waren op subjectieve klachten, maar deze werden niet ondersteund door objectieve medische bevindingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen waren onderschat, maar de Raad volgde het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de beperkingen op de datum in geding niet waren toegenomen en dat zij geschikt bleef voor ten minste drie functies met voldoende arbeidsplaatsen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en oordeelde dat de weigering van de WIA-uitkering terecht was.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.