ECLI:NL:CRVB:2024:1502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 41,23% bij voortzetting WIA-uitkering
Appellant, voormalig bouwvakker, ontving sinds 2019 een WGA-loonaanvullingsuitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op verzoek van de ex-werkgever stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar, waarna het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij een tweede besluit op bezwaar corrigeerde naar 41,23%, waardoor de uitkering werd voortgezet.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Appellant voerde aan dat de medische beoordeling onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen, met name door longproblematiek en sarcoïdose, en dat de geselecteerde functies ongeschikt waren vanwege zijn arbeidsverleden en beperkingen in hand- en vingergebruik.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en overtuigend zijn gemotiveerd. Er is geen objectieve medische onderbouwing voor aanvullende beperkingen, en de geselecteerde functies zijn passend geacht. Het hoger beroep wordt afgewezen en de vaststelling van 41,23% arbeidsongeschiktheid blijft gehandhaafd.
Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 41,23% wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.