Uitspraak
4 oktober 2023, 23/1379
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam in een zaak betreffende sociale zekerheid. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, wat in strijd is met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Centrale Raad van Beroep heeft appellante meerdere malen in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende beroepsgronden binnen gestelde termijnen alsnog in te dienen. Door een eerste verzendfout werden de brieven abusievelijk naar een verkeerd adres gestuurd, maar na correctie op 12 februari 2024 is appellante opnieuw een termijn van vier weken gegeven. Deze termijnen zijn door appellante ongebruikt voorbijgegaan. Ook een aangetekende brief van 14 maart 2024 met een laatste termijn en waarschuwing voor niet-inhoudelijke behandeling is onbeantwoord gebleven.
Gezien het ontbreken van gronden en het niet benutten van de herstelmogelijkheden is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 juli 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.