Uitspraak
5 maart 2024, 23/6480
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De gemachtigde van appellant is meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €138,- binnen een bepaalde termijn. Ondanks deze herinneringen is het griffierecht niet tijdig voldaan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Hierdoor is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk en kan zonder inhoudelijke behandeling worden beslist.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Wolfrat in aanwezigheid van griffier A. Giesen en op 30 juli 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.