ECLI:NL:CRVB:2024:1546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen IVA-uitkering toe te kennen per 13 januari 2022, omdat zijn volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam zou zijn. Het UWV had de WGA-uitkering ongewijzigd voortgezet. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid deugdelijk had gemotiveerd.
Appellant voerde aan dat er geen reële behandelmogelijkheden meer zijn, mede omdat hij twee behandelingen voortijdig had beëindigd uit vertrouwen- en hersteloverwegingen. De rechtbank oordeelde echter dat appellant dit niet medisch objectief had onderbouwd en dat verbetering van mentale klachten nog mogelijk is.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke afweging heeft gemaakt van de medische situatie en herstelkansen. De Raad wijst erop dat appellant niet heeft aangetoond dat hij om medische redenen geen behandeling kan volgen. De functionele mogelijkhedenlijst en bottleneckanalyse ondersteunen het oordeel dat de beperkingen niet duurzaam zijn.
Het hoger beroep wordt verworpen, de WGA-uitkering wordt voortgezet en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering en handhaaft de voortzetting van de WGA-uitkering.