ECLI:NL:CRVB:2024:1546

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juli 2024
Publicatiedatum
31 juli 2024
Zaaknummer
23/3333 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 47 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om hem geen IVA-uitkering toe te kennen per 13 januari 2022, omdat zijn volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam zou zijn. Het UWV had de WGA-uitkering ongewijzigd voortgezet. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid deugdelijk had gemotiveerd.

Appellant voerde aan dat er geen reële behandelmogelijkheden meer zijn, mede omdat hij twee behandelingen voortijdig had beëindigd uit vertrouwen- en hersteloverwegingen. De rechtbank oordeelde echter dat appellant dit niet medisch objectief had onderbouwd en dat verbetering van mentale klachten nog mogelijk is.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke afweging heeft gemaakt van de medische situatie en herstelkansen. De Raad wijst erop dat appellant niet heeft aangetoond dat hij om medische redenen geen behandeling kan volgen. De functionele mogelijkhedenlijst en bottleneckanalyse ondersteunen het oordeel dat de beperkingen niet duurzaam zijn.

Het hoger beroep wordt verworpen, de WGA-uitkering wordt voortgezet en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een IVA-uitkering en handhaaft de voortzetting van de WGA-uitkering.

Uitspraak

23/3333 WIA
Datum uitspraak: 25 juli 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 oktober 2023, 22/2343 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellant per 13 januari 2022 een IVA-uitkering toe te kennen, omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.A.J. Slaats, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 juli 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Slaats. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W. van Schaik.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 10 januari 2020 heeft het Uwv appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 1 januari 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Bij besluit van 8 december 2020 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant per 1 februari 2021 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
Appellant heeft zich bij het Uwv gemeld met toegenomen psychische en lichamelijke klachten met ingang van 13 januari 2022. Na onderzoek door een arts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 26 april 2022 de WGA-uitkering van appellant ongewijzigd voortgezet. Appellant is volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt.
1.3.
Bij besluit van 25 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft zij overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 1 augustus 2022 deugdelijk heeft gemotiveerd dat de mentale arbeidsbeperkingen van appellant niet duurzaam zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat zijn verwachting over de verbetering op mentaal vlak overeenkomt met de bij het persoonlijkheidsonderzoek uit maart 2020 aangegeven behandelmogelijkheden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen de beperkingen op mentaal vlak door behandeling nog verbleken. Wel zullen enige lichte beperkingen op mentaal vlak aangewezen blijven vanuit de ook dan te verwachten kwetsbaarheid. Deze bevinden zich op het vlak van de mentaal sterk stresserende activiteiten in de zin van de veelvuldige conflicthantering in rechtstreeks contact en veelvuldige intensieve contacten met hem onbekende derden (klanten, hulpbehoevenden). Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de inschatting van de herstelkansen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep met deze motivering aan de daaraan gestelde eisen. De rechtbank volgt appellant ook niet in zijn stelling dat er na zijn laatste twee behandelpogingen geen sprake meer kan zijn van een realistische mogelijke verlichting van zijn psychische beperkingen. Uit de medische informatie van 19 april 2021 en 8 februari 2023 blijkt dat appellant telkens zelf heeft besloten te stoppen met zijn behandeling. Dat was niet op advies of op initiatief van zijn behandelaars en uit de medische informatie volgt ook niet dat het appellant niet kan worden aangerekend dat hij zijn behandelingen voortijdig heeft beëindigd. Ten slotte overtuigen de lange behandelgeschiedenis en het gegeven dat appellant na het persoonlijkheidsonderzoek in 2020 twee behandelingen heeft geprobeerd, de rechtbank er niet van dat verbetering van de mentale problemen niet meer kan worden verwacht. Ondanks de lange behandelgeschiedenis is in maart 2020 nog een behandelplan gemaakt met verbetering van de klachten als doel. Uit de stelling van appellant dat dit niet tot afname van de klachten heeft geleid, kan niet de conclusie worden getrokken dat behandelingen geen baat meer kunnen hebben. Dat past niet bij de behandeladviezen in de medische informatie van 2021 en 2023, de ingezette behandelingen en het beschreven resultaat daarvan.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft aangevoerd dat er geen reële behandelmogelijkheden voor hem zijn. De laatste twee opties heeft appellant niet voortgezet omdat (in het eerste geval) zijn vertrouwen in de behandelend arts verdween en omdat (in het tweede geval) niet meer zou worden ingezet op herstel maar alleen op beleving.
Uit de medische informatie volgt niet dat het appellant kan worden aangerekend dat hij behandelingen voortijdig heeft beëindigd. Nu dat niet het geval is er wel degelijk sprake van een situatie dat er geen reële behandelmogelijkheden meer zijn.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de ongewijzigde voortzetting van de WGA-uitkering van appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding, 13 januari 2022, moet worden geacht ook duurzaam te zijn, zodat appellant op grond van artikel 47 van Pro de Wet WIA recht heeft op een IVA- in plaats van een WGAuitkering.
4.2.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009 [1] geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
4.3.
Appellant heeft in hoger beroep dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden uitvoerig besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Appellant heeft zijn andersluidende standpunt in hoger beroep niet met nieuwe medische stukken onderbouwd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen kunnen worden onderschreven. Hieraan wordt toegevoegd dat het – anders dan appellant betoogt – aan appellant is om te onderbouwen dat hij om medisch objectiveerbare redenen niet in staat is om (enige) behandeling te volgen. De Raad kan het gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat appellant dit niet heeft aangetoond, volgen.
4.4.
De Raad wijst er ten overvloede op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een fictieve Functionele Mogelijkhedenlijst heeft opgesteld waarin de duurzame (grotendeels lichamelijke) beperkingen zijn opgenomen en waaruit blijkt welke beperkingen kunnen verbleken. Daarvan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep functies kunnen duiden waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant aanzienlijk zou afnemen (de zogenoemde bottleneckanalyse).

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de ongewijzigde voortzetting van de WGA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van I. Gök als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2024.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) I. Gök

Voetnoten

1.CRvB 4 februari 2009, ECLI NL:CRVB.2009:BH1896.