ECLI:NL:CRVB:2024:1568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 16 november 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar van de werkgever en aanvullend onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige, besloot het UWV de uitkering per 15 november 2023 te beëindigen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat haar gezondheid verslechterd was en dat er meer beperkingen moesten worden aangenomen. Tevens voerde zij aan dat het beginsel van equality of arms was geschonden omdat zij geen onafhankelijke deskundige kon inschakelen.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was, mede omdat appellante in de primaire fase wel fysiek was onderzocht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie had verricht. Er was geen schending van het beginsel van equality of arms, omdat appellante voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te brengen. De Raad vond geen reden om te twijfelen aan de medische beoordeling en bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bleef in stand. Appellante kreeg geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.