ECLI:NL:CRVB:2024:1575
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onvoldoende bewijs medische beperkingen
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan met een aanvraagdatum in 2021, stellende dat hij sinds zijn 18e levensjaar lichamelijke en psychische klachten heeft die arbeidsongeschiktheid veroorzaken. Het UWV wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant vanaf zijn 18e jaar tot de aanvraagdatum geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt was.
De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat de medische gegevens geen bewijs leverden van beperkingen rond de 18e verjaardag of in 1993/1994, het jaar waarin appellant zijn studie beëindigde. De diagnose schizotypische persoonlijkheidsstoornis uit 1997 en latere depressieve stoornissen konden niet met terugwerkende kracht beperkingen aantonen.
Appellant voerde aan dat klachten al eerder bestonden en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan, maar de Raad concludeerde dat het UWV en de verzekeringsartsen de relevante periode zorgvuldig hadden onderzocht. De bewijslast voor een laattijdige aanvraag ligt bij appellant, die dit niet kon waarmaken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd vanwege onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid in de relevante periode.