Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als arts, maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV, omdat zij stelde feitelijk meer uren te hebben gewerkt dan de contractuele 31,95 uur per week. Het UWV had de mate van arbeidsongeschiktheid van 49,92% berekend op basis van de contractuele uren en een praktische schatting van de arbeidsdeskundige.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, omdat het UWV mocht uitgaan van de gegevens uit de polisadministratie en appellante onvoldoende concrete gegevens had aangeleverd om het tegendeel te bewijzen. Ook in hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en leverde aanvullende verklaringen van haar leidinggevende, die echter te algemeen en onvoldoende verifieerbaar waren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de contractuele uren als maatmanomvang heeft gehanteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de procedure binnen de wettelijke termijnen was gebleven.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep van appellante af. Zij krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 49,92% op basis van contractuele uren.