ECLI:NL:CRVB:2024:1596
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd, maar het UWV heeft deze geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Na een medisch onderzoek en een arbeidsdeskundig onderzoek stelde het UWV beperkingen vast en berekende een arbeidsongeschiktheidspercentage van 31,89%, later bijgesteld naar 30,5% na aanvullend onderzoek.
Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen en dat zij de geselecteerde functies niet kan vervullen. De rechtbank stelde een onafhankelijke deskundige aan, die het standpunt van het UWV bevestigde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, ondanks een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, en veroordeelde de Staat tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep handhaaft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad volgt de onafhankelijke deskundigen die een zorgvuldig gecombineerd psychiatrisch en verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitvoerden. De rapporten van de door appellante ingeschakelde verzekeringsarts worden onvoldoende overtuigend geacht. De Raad oordeelt dat de fysieke beperkingen juist zijn vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn.
Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.