Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
onmiddellijk voorafgaand aande eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering vanwege chronische pijn- en psychische klachten als gevolg van een ongeval in 2004. Het UWV heeft de uitkering geweigerd omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarde dat zij minimaal zes maanden studerend moest zijn in het jaar direct voorafgaand aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd. De rechtbank oordeelde dat met 'in het jaar' in artikel 1a:1, eerste lid, onder b, van de Wajong wordt bedoeld de periode van twaalf maanden direct voorafgaand aan het moment van arbeidsongeschiktheid, en niet het kalenderjaar. Appellante had slechts bijna drie maanden gestudeerd in deze periode.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de wetgever met 'in het jaar' het kalenderjaar bedoelde, maar de Raad verwierp dit standpunt omdat de wettelijke tekst duidelijk spreekt over het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de Wajong-uitkering en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante niet minimaal zes maanden studeerde in het jaar voorafgaand aan haar arbeidsongeschiktheid.