ECLI:NL:CRVB:2024:1600
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig meewerkend voorman hovenier, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding in oktober 2019. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant 26,61% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering per 14 oktober 2021. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het besluit bevestigde omdat het medische oordeel voldoende was onderbouwd en de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen, waaronder ADHD, depressie, diabetes en gevolgen van een herseninfarct, onvoldoende waren meegewogen, en dat hij niet zelfstandig zijn dag kan structureren. De Raad concludeert echter dat de medische informatie die appellant overlegt pas na de datum van belang is en geen aanleiding geeft tot een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had reeds forse beperkingen aangenomen in het persoonlijk functioneren.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep motiveerde dat de geselecteerde functies geschikt zijn, omdat de werkomgeving rustig is en afleiding wordt voorkomen. Appellant heeft dit niet aannemelijk kunnen maken. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.