Uitspraak
:15 augustus 2024
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg om herziening van het besluit uit 2013 waarbij haar aanvraag voor een Wajong-uitkering werd afgewezen. Zij stelde dat zij sinds haar achttiende jaar ernstige beperkingen heeft door onder meer autisme, genafwijkingen en fibromyalgie, die destijds niet voldoende zijn meegewogen. Het UWV voerde dat er geen nieuwe informatie was die aanleiding gaf het eerdere besluit te herzien. De rechtbank stelde een motiveringsgebrek vast in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en gaf het UWV de gelegenheid dit te herstellen.
Na herstel van het motiveringsgebrek bevestigde de rechtbank het besluit van het UWV. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar bracht zij geen nieuwe medische informatie in die tot twijfel aan het oordeel van het UWV leidt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep erkende een aanvullende beperking voor de autismespectrumstoornis, maar de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante nog steeds in staat is meer dan 75% van het minimumloon te verdienen.
De Raad concludeert dat het UWV de medische en arbeidskundige onderbouwing pas in hoger beroep voldoende heeft gegeven, waardoor het eerdere motiveringsgebrek wordt gepasseerd. Het hoger beroep wordt afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om niet terug te komen op de weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd.