ECLI:NL:CRVB:2024:1621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep tegen afwijzing voorlopige voorziening
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter die haar verzoek om een voorlopige voorziening heeft afgewezen. De voorzieningenrechter had het verzoek kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Volgens artikel 8:104, tweede lid, onder d van de Awb, kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. Appellante stelde dat de rechtbank zonder zitting had geoordeeld op basis van artikel 8:57, eerste lid, Awb, waardoor hoger beroep wel mogelijk zou zijn. Dit is echter onjuist omdat de uitspraak van de voorzieningenrechter is gedaan en niet van de bestuursrechter.
De Raad concludeert dat het hoger beroep afstuit op het appelverbod en verklaart zich daarom onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. De beslissing is zonder zitting genomen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen wegens appelverbod.