Appellante was sinds 2005 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering die in 2017 en 2018 werd beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% zou zijn. Zij betwistte dit en voerde aan dat haar psychische en fysieke beperkingen onderschat waren.
In hoger beroep heeft de Raad twee onafhankelijke deskundigen, psychiater Tilanus en verzekeringsarts Greveling-Fockens, geraadpleegd. Hun rapporten bevestigden dat de beperkingen van appellante weliswaar aanwezig zijn, maar dat deze niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan vastgesteld. De arbeidsdeskundige concludeerde dat passende functies beschikbaar zijn, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft.
Appellante stelde dat sprake is van ernstige psychische stoornissen en een verstandelijke beperking, maar de Raad oordeelde dat deze diagnoses niet op de relevante data van toepassing zijn en onvoldoende zijn onderbouwd. De medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit is in hoger beroep aangepast en voldoende gemotiveerd.
Daarnaast is de redelijke termijn van de procedure met ruim twee jaar overschreden, waarvoor de Staat een schadevergoeding van € 2.500,- moet betalen. Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van appellante. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd.