ECLI:NL:CRVB:2024:1623
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 20,47% in WIA-uitkering
Appellante, werkzaam als medewerkster educatieve recreatie, meldde zich ziek wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op 2 juni 2018 de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 20,47% na onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, waarbij functies werden geselecteerd die appellante nog kon verrichten.
Zowel appellante als haar werkgever maakten bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat zij volledig arbeidsongeschikt was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep voerde aanvullingen door in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en handhaafde de urenbeperking van gemiddeld 20 uur per week. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond de medische beoordeling zorgvuldig en gemotiveerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rapporten niet deugdelijk waren en dat er meer beperkingen moesten worden aangenomen, onder meer op basis van een psychiatrisch rapport. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die een aanvullend rapport opstelde, waarna het UWV de FML aanpaste. De Raad oordeelde dat de aangepaste FML toereikend was en dat de geselecteerde functies passend waren, ook met de aanvullende beperking.
De Raad concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 20,47% en dat het hoger beroep niet slaagt. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante en tot vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft vastgesteld op 20,47% en wijst het hoger beroep af.