ECLI:NL:CRVB:2024:1641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid per 10 februari 2021
Appellant heeft per 10 februari 2021 een WIA-uitkering geweigerd gekregen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Hij betwistte dit en stelde dat hij meer medische beperkingen had en de geselecteerde functies niet kon vervullen. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige functies passend waren, met een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 29,97%.
In hoger beroep heeft appellant aanvullende medische en arbeidskundige rapporten overgelegd die meer beperkingen stelden, waaronder klachten aan handen en vingers en een urenbeperking. De Raad volgde dit niet omdat op de datum in geding geen klachten aan handen en vingers waren vastgesteld en er geen aanwijzingen waren voor een urenbeperking. De medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd als overtuigend beoordeeld.
De Raad wees het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige af wegens onvoldoende twijfel over de juistheid van de bestaande rapporten. Ook de arbeidskundige beoordeling van het UWV werd als voldoende gemotiveerd en passend beschouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering per 10 februari 2021 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.