Uitspraak
BESLISSING
- verklaart zich onbevoegd;
- bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 138,- aan appellante terugbetaalt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de terugvordering van AOW-pensioen dat na het overlijden van haar echtgenoot onterecht werd doorbetaald. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring en verklaarde ook het verzet tegen deze uitspraak niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de termijn.
Vervolgens diende appellante een verzoek tot herziening in bij de rechtbank, dat eveneens niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de gronden voor herziening niet tijdig waren ingediend. Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tegen uitspraken van de rechtbank zoals bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb geen hoger beroep mogelijk is. Dit geldt ook voor uitspraken over verzoeken tot herziening van dergelijke uitspraken. Daarom verklaart de Raad zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt terugbetaling van het griffierecht.