ECLI:NL:CRVB:2024:1653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 8 februari 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, vastgesteld op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling op verzoek van de ex-werkgever in 2021, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige onderzoek deden en een psychiatrische expertise werd uitgevoerd, concludeerde het UWV dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit leidde tot beëindiging van de WIA-uitkering per 5 juni 2022.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en stelde dat het medisch oordeel zorgvuldig was en dat de functionele mogelijkheden van appellante correct waren vastgesteld. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat er sprake was van een ernstige psychische stoornis of dat de geselecteerde functies haar mogelijkheden te boven gingen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij nog steeds ernstige psychische klachten had en dat het rapport van de psychiater onvoldoende onderbouwing bood voor het standpunt van het UWV. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat per de datum in geding geen sprake meer was van een ernstige psychische stoornis. De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat de WIA-uitkering terecht was beëindigd en bevestigde de aangevallen uitspraak. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering van appellante heeft beëindigd per 5 juni 2022 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.