Uitspraak
28 maart 2024, 21/7836 en 22/6785
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De Raad heeft appellante bij brief en aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €559,- en de uiterste betaaldatum. Ondanks meerdere herinneringen is het griffierecht niet tijdig voldaan.
De aangetekende brief is retour ontvangen en opnieuw verzonden per gewone post. De Raad concludeert dat appellante in verzuim is en verklaart het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.