ECLI:NL:CRVB:2024:170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens ongewijzigde arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich in 2015 ziek en ontving in 2018 geen WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een nieuwe ziekmelding in 2020 ontving zij tijdelijk een Ziektewetuitkering, die het UWV beëindigde omdat haar medische beperkingen niet waren toegenomen sinds de WIA-beoordeling van 2018.
Appellante betwistte dit en voerde aan dat haar klachten, waaronder fibromyalgie en somatische symptoomstoornis, haar belastbaarheid aanzienlijk beperken. Zij overhandigde een expertiserapport dat zwaardere beperkingen stelde dan het UWV.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de ZW-uitkering weigerde. De Raad volgde de verzekeringsarts bezwaar en beroep die stelde dat er geen objectief medisch bewijs is voor toegenomen beperkingen en dat de eerder vastgestelde functies nog steeds passend zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de ZW-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De weigering van de Ziektewetuitkering per 28 oktober 2020 wordt bevestigd omdat de medische beperkingen niet zijn toegenomen.