ECLI:NL:CRVB:2024:1700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht woonadres
Appellant ontving sinds september 2019 bijstand en stond ingeschreven op een adres te [woonplaats]. In september 2020 vroeg hij bijzondere bijstand aan voor een ander adres, maar gaf niet aan dat hij daar woonde. Na een huisbezoek in december 2020 bleek dat appellant niet woonde op het opgegeven adres en dat hij daar slechts als briefadres stond ingeschreven. Het college trok daarom de bijstand per 2 oktober 2020 in en vorderde kosten terug.
De rechtbank oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij niet meer op het opgegeven adres woonde. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd waarom dit onjuist zou zijn. Een nieuwe beroepsgrond over onredelijke gevolgen werd niet behandeld omdat deze te laat werd ingebracht.
De intrekking en terugvordering van de bijstand blijven daarmee in stand. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht worden bevestigd.