Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:1706

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 augustus 2024
Publicatiedatum
2 september 2024
Zaaknummer
23/995 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verbreding stoepophoging voor scootmobielstalling

Appellante, met mobiliteitsbeperkingen, vroeg het college om verbreding van een stoepophoging voor het stallen van haar scootmobiel. Na eerdere afwijzingen en een gedeeltelijke toekenning met aanpassingen, bleef appellante bezwaar maken omdat zij nog steeds onvoldoende manoeuvreerruimte ervaart.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellante een kleinere scootmobiel heeft gekregen die makkelijker te manoeuvreren is en dat zij onvoldoende concrete problemen heeft aangetoond. Ook kan de Wmo 2015 niet ingrijpen bij parkeerovertredingen op het gele kruis.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar bracht geen nieuwe gronden aan. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de verbreding voldoende is en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij met de kleinere scootmobiel niet veilig achteruit kan uitrijden.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en liet het bezwaar ongegrond. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van verdere verbreding van de stoepophoging blijft in stand.

Uitspraak

23/995 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2023, 22/3152 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 28 augustus 2024

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college het verbreden van de stoepophoging ten behoeve van het stallen van een scootmobiel terecht heeft geweigerd. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juli 2024. Namens appellante is mr. N. Talhaoui, kantoorgenoot van mr. Moghni, verschenen. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1950, is bekend met beperkingen in haar mobiliteit. In verband hiermee heeft het college haar op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in aanmerking gebracht voor een scootmobiel met stallingsmogelijkheid en oplaadpunt nabij de voorgevel van haar wooncomplex.
1.2.
Op 16 maart 2021 heeft appellante gevraagd om de stalling en het oplaadpunt te verplaatsen, waarna het college haar bij besluit van 3 juni 2021 in aanmerking heeft gebracht voor een stallings- en oplaadmogelijkheid aan de overzijde van de straat.
1.3.
Op 5 juli 2021 heeft appellante te kennen gegeven dat zij de scootmobiel niet achteruit kan inparkeren op de in 1.2 genoemde stallingsplaats. Zij heeft daarom een aanvraag ingediend voor het verbreden van de reeds daarvoor gerealiseerde stoepophoging. Bij besluit van 3 augustus 2021 heeft het college deze aanvraag, onder verwijzing naar een advies van het Indicatieadviesbureau [plaatsnaam] (IAB) van 27 juli 2021, afgewezen.
1.4.
Op 8 september 2021 heeft appellante opnieuw een aanvraag ingediend ter verbreding van de stoepophoging. Het rijden met de scootmobiel in een bocht achteruit lukt namelijk niet, mede omdat regelmatig auto’s gedeeltelijk op de stoepophoging staan geparkeerd. Het college heeft hierin aanleiding gezien om bij besluit van 9 november 2021 – en onder verwijzing naar een advies van het IAB van 11 oktober 2021 – de stoepophoging te verbreden, de trottoirbanden te verplaatsen en een geel kruis op de stoepophoging te spuiten. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend, omdat zij na de aangebrachte aanpassingen nog steeds onvoldoende manoeuvreerruimte heeft.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 12 mei 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe – onder meer – overwogen dat appellante uiteindelijk een kleinere scootmobiel tot haar beschikking heeft gekregen dan de grotere scootmobiel die aanvankelijk was beoogd. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting bevestigd dat het in de rede ligt dat het manoeuvreren met die kleinere scootmobiel makkelijker zal gaan. Ook acht de rechtbank van belang dat appellante niet heeft geconcretiseerd welke problemen zij bij het parkeren zou ondervinden. Verder heeft het college er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat in het kader van de Wmo 2015 niet kan worden opgetreden tegen auto’s die op het gele kruis zouden parkeren.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft aangevoerd dat de stoepophoging verder dient te worden verbreed. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante uiteengezet dat de moeilijkheden die appellante ondervindt met name betrekking hebben op het gebrek aan overzicht bij het achteruit uitrijden van de stallingsplaats en op het feit dat de stallingsplaats wordt geblokkeerd door auto’s die over het gele kruis staan geparkeerd.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en overweegt daartoe als volgt.
4.1.
Centraal in deze procedure staat het oordeel van de rechtbank over het besluit van 12 mei 2022 tot verbreding van de stoepophoging en het spuiten van een geel kruis. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en afdoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft in grote lijnen de overwegingen van de rechtbank die hieraan ten grondslag liggen en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.
4.2.
Appellante heeft in het licht van wat is vermeld onder 3 onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij met de onder 2 bedoelde kleinere scootmobiel en de verbreding van de stoepophoging nog steeds onvoldoende in staat is om met haar scootmobiel achteruitrijdend veilig de stallingsplaats te verlaten. De Raad acht daarbij van belang dat niet is gebleken dat appellante vanuit de stalling niet achteruit de stoep kan oprijden om vervolgens vooruit de weg op te rijden. Dat dit zoals altijd met het oprijden van een (drukke) weg met de nodige voorzichtigheid moet gebeuren maakt niet dat de verbreding van de stoepophoging onvoldoende is. Verder kan niet uit het oog worden verloren dat de Wmo 2015 geen oplossing kan bieden voor volgens appellante ter plaatse gemaakte parkeerovertredingen.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2024.
(getekend) J. Brand
(getekend) I. van der Hout