ECLI:NL:CRVB:2024:1719
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering, maar het UWV weigerde deze toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De medische beoordeling door een verzekeringsarts en de arbeidskundige beoordeling leidden tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van respectievelijk 4,46% na bezwaar en beroep. Appellante voerde aan dat zij meer beperkingen heeft dan vastgesteld en dat de rechtbank ten onrechte het expertiserapport van haar eigen verzekeringsarts niet heeft gevolgd of een onafhankelijke deskundige heeft benoemd.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar afwijking van eerdere beoordelingen goed had gemotiveerd. De Raad volgt dit oordeel en stelt dat de medische en arbeidskundige beoordelingen juist zijn, mede omdat de klachten en beperkingen van appellante onvoldoende aanleiding geven tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid of urenbeperking.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 29 augustus 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.