ECLI:NL:CRVB:2024:1733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering Indicatie banenafspraak wegens gebrek aan arbeidsvermogen
Appellante heeft een aanvraag ingediend bij het UWV voor een Indicatie banenafspraak, omdat zij meent arbeidsvermogen te bezitten ondanks haar beperkingen. Het UWV heeft de aanvraag afgewezen op grond van medisch en arbeidskundig onderzoek waaruit blijkt dat appellante vanwege scoliose, facetartrose en discopathie aanzienlijke beperkingen heeft in haar persoonlijk en sociaal functioneren en daardoor geen arbeidsvermogen bezit.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, maar het bezwaar is ongegrond verklaard na onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank Gelderland heeft het beroep van appellante tegen dit besluit eveneens afgewezen, waarbij zij het oordeel van het UWV en de verzekeringsartsen onderschreef.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij wel arbeidsvermogen en leervermogen heeft, onderbouwd met diverse documenten zoals salarisgegevens, cv’s en medische verklaringen. De Raad stelt echter vast dat deze argumenten onvoldoende aanleiding geven om het oordeel van het UWV te herzien, mede omdat de situatie ten tijde van de aanvraag in 2020 centraal staat en niet de latere ontwikkelingen.
De Raad concludeert dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat appellante niet voldoet aan de criteria voor een Indicatie banenafspraak en bevestigt de eerdere uitspraak. Appellante krijgt het betaalde griffierecht niet terug en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Indicatie banenafspraak wegens het ontbreken van arbeidsvermogen.