ECLI:NL:CRVB:2024:1735
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving een Ziektewetuitkering (ZW) na een afwijzing van een WIA-uitkering door het UWV. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast en beoordeelde een arbeidsdeskundige dat appellant geschikt was voor meerdere functies. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering per 30 april 2021 en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij zij oordeelde dat de verzekeringsarts de medische beperkingen zorgvuldig had gemotiveerd, ook ten aanzien van psychische klachten zoals PTSS, zonder aanleiding voor verdere beperkingen of urenbeperking. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts onterecht bevindingen van behandelaars negeerde zonder contact op te nemen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV voldoende inzichtelijk had gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend zijn, uitgaande van de juiste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De Raad onderschreef de rechtbank en vond geen reden om het medisch standpunt te betwijfelen of een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd afgewezen, waarmee de beëindiging van de ZW-uitkering per 8 juni 2021 rechtsgeldig bleef.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering per 8 juni 2021 terecht is beëindigd.