Appellante, voorheen werkzaam als onderwijsassistente, ontving sinds 2011 een WAO-uitkering vanwege hoge arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2021 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 10,03%, waarna de uitkering per 23 november 2021 werd beëindigd.
Appellante voerde aan dat haar psychische en lichamelijke klachten zwaarder wogen dan het UWV aannam, waardoor zij de voorgestelde functies niet kon vervullen. De rechtbank vernietigde het besluit wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en oordeelt dat het UWV voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing heeft gegeven.
De medische beoordeling concludeerde dat er geen noodzaak was voor extra beperkingen of urenbeperking, en dat de klachten van appellante haar belastbaarheid niet wezenlijk beperkten. De arbeidsdeskundige corrigeerde de maatmanfunctie en bevestigde dat de resterende functies passend zijn. Het hoger beroep wordt afgewezen, de beëindiging van de WAO-uitkering blijft van kracht, en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.