Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd nadat hij zich in oktober 2019 ziekmeldde vanwege klachten na een auto-ongeval. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom de uitkering toe te kennen per 4 oktober 2021.
Appellant betwistte deze beoordeling en voerde aan dat zijn beperkingen, waaronder fysieke en psychische klachten, onderschat waren. Hij stelde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvolledig was, met name dat er ten onrechte geen beperking was opgenomen voor de nabijheid van een toilet en onvoldoende rekening was gehouden met nek- en schouderklachten.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het UWV de belastbaarheid van appellant juist had ingeschat. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de aanvullende medische informatie over oogklachten en slaapapneu van appellant uit 2024 niet relevant is voor de situatie op de datum in geding. De Raad volgt de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de beperkingen terecht zijn vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend zijn.
Het hoger beroep wordt verworpen, waardoor de weigering van de WIA-uitkering blijft staan. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.