ECLI:NL:CRVB:2024:177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uwv om haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na benoeming van een deskundige en uitgebreid medisch en arbeidskundig onderzoek, inclusief rapportages van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, concludeert de Raad dat appellante inderdaad minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De Raad volgt het deskundigenrapport dat zorgvuldig en consistent is en oordeelt dat het Uwv terecht geen arbeidsduurbeperking heeft aangenomen.
Appellante heeft niet ingestemd met fysiek onderzoek door de deskundige, waardoor de beoordeling op dossierstukken heeft plaatsgevonden. De Raad constateert dat het Uwv pas in hoger beroep een volledige onderbouwing heeft gegeven, wat een zorgvuldigheidsgebrek oplevert, maar dit wordt gepasseerd omdat appellante daardoor niet is benadeeld. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.
Daarnaast is vastgesteld dat de procedure ruim vijf jaar heeft geduurd, wat de redelijke termijn overschrijdt. De Raad veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding van €5.000,- wegens deze overschrijding. Tevens worden proceskosten vergoed aan appellante, waaronder griffierecht en kosten voor rechtsbijstand. De uitspraak bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en behandelt tevens het verzoek om vergoeding van immateriële schade en proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand; appellante ontvangt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.