ECLI:NL:CRVB:2024:1783
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, die zich ziekmeldde met psychische klachten, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze per 6 juni 2018 toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische klachten ernstiger waren dan vastgesteld en dat zij meer beperkingen had.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat het medisch oordeel van het UWV juist was en dat appellante belastbaar was voor passend werk. De Raad volgde dit oordeel en vond de arbeidskundige beoordeling van het UWV eveneens voldoende onderbouwd.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, waardoor een schadevergoeding van € 2.000,- werd toegekend, verdeeld over het UWV en de Staat. Het hoger beroep werd afgewezen, de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand en proceskosten werden deels toegewezen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De weigering van de WIA-uitkering per 6 juni 2018 wordt bevestigd; schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt toegekend.