ECLI:NL:CRVB:2024:1795

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 augustus 2024
Publicatiedatum
17 september 2024
Zaaknummer
20/4089 WMO15-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:113 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en vernietiging besluit woningaanpassing Wmo 2015 wegens verouderd programma van eisen

Appellante ontving een woningaanpassing op grond van de Wmo 2015 voor een aangepaste natte cel. Het college verleende nadere voorzieningen via besluiten in 2017 en 2019, waarbij de kosten opliepen tot ruim €34.000. Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van 2017 en het college nam daarop meerdere beslissingen op bezwaar, waarvan de laatste in 2019 het bezwaar gegrond verklaarde.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen eerdere besluiten gegrond, maar het beroep tegen het besluit van 2019 ongegrond. In hoger beroep stelde het college dat het programma van eisen waarop het besluit van 2019 was gebaseerd door tijdsverloop en gewijzigde inzichten niet meer actueel was. Dit leidde tot de conclusie dat het besluit van 2019 geen stand kan houden.

De Raad vernietigt het besluit van 2019 en draagt het college op binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met een dwangsom bij niet-naleving. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellante en wordt het betaalde griffierecht vergoed. Het beroep tegen het besluit van juni 2024 wordt niet geacht mede te zijn ingesteld.

Uitkomst: Het besluit van 5 december 2019 wordt vernietigd en het college wordt opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Uitspraak

20/4089 WMO15-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 oktober 2020, 18/706 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (college)
Datum uitspraak: 19 augustus 2024
Zitting heeft: A. van Gijzen, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: N. el Khabazi
Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door [naam] en mr. K. Wevers en namens het college mr. G. Aufderhaar en T. Koopman.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 5 december 2019 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • draagt het college op binnen zes weken, gerekend vanaf de datum van verzending van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en bepaalt dat tegen dit besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;
  • bepaalt dat het college een dwangsom van € 50,- verbeurt voor elke dag dat het in gebreke blijft met het nemen van een nieuw besluit tot een maximum van € 2.000,-;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.750,-;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 131,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Het college heeft appellante bij besluit van 18 februari 2016 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2012 (lees: 2015) een woningaanpassing in natura toegekend voor het realiseren van een aangepaste natte cel op de begane grond van de door haar gehuurde woning aan de [adres] in [woonplaats] . De kosten zijn begroot op € 17.545,80.
1.2.
Volgens het college zijn na deze woningaanpassing nog meer werkzaamheden noodzakelijk. Het betreft het aanbrengen van enkele voorzieningen in de natte cel en het leveren en plaatsen van een opklapbare douchebrancard. Bij besluit van 23 juni 2017 heeft het college aan appellante op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening verstrekt bestaande uit deze verdere woningaanpassing in natura. De totale kosten van de meer werkzaamheden zijn begroot op € 8.514,77.
1.3.
Bij besluit van 13 februari 2018 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2017 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld.
1.4.
Gedurende de procedure bij de rechtbank heeft het college achtereenvolgens twee nadere beslissingen op bezwaar genomen. Bij beslissing op bezwaar van 7 maart 2019 (bestreden besluit 2) heeft het college bestreden besluit 1 ingetrokken, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2017 gegrond verklaard en de totale kosten van de badkameraanpassing begroot op € 25.347,84. Bij beslissing op bezwaar van 5 december 2019 (bestreden besluit 3) heeft het college zowel bestreden besluit 1 als bestreden besluit 2 ingetrokken, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 juni 2017 gegrond verklaard en de totale kosten van de badkameraanpassing begroot op € 34.062,30.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante gericht tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard en het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.
3. Het door appellante ingediende hoger beroep ziet op het oordeel van de rechtbank over de beslissing op bezwaar van 5 december 2019.
4. In hoger beroep heeft het college bij besluit van 19 juni 2024 het besluit van 5 december 2019 herzien in die zin dat aan appellante een verrijdbare douchebrancard in bruikleen is toegekend. Appellante heeft ter zitting toegelicht dat zij zich kan vinden in dit nadere besluit over de douchebrancard. Er is nog een probleem met de praktische uitvoering, maar dat wordt al door de leverancier opgepakt. Zoals ter zitting is besproken betekent dit, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat het beroep van appellante niet mede gericht wordt geacht tegen het besluit van 19 juni 2024.
5. In het kader van een viertal andere beroepsprocedures bij de rechtbank heeft het college een advies van JPH-Consult gevraagd. Partijen zijn overeengekomen dat dit advies ook gelding heeft voor de onderhavige zaak. Het college heeft in hoger beroep in een brief van 12 juli 2024 aan de Raad gesteld dat het aan het besluit van 5 december 2019 ten grondslag liggende programma van eisen door tijdverloop en gewijzigde inzichten niet meer volledig actueel is. Volgens het college is een van de conclusies dat de huidige badkamer te klein is en dus vergroot moet worden. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het besluit van 5 december 2019 niet in stand kunnen blijven. Nu alleen al om deze reden het besluit van 5 december 2019 geen stand kan houden, kunnen de beroepsgronden van appellante onbesproken blijven.
6. Het college zal worden opgedragen om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2017 te beslissen. Met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb kan tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep worden ingesteld.
7. Het komt de Raad geraden voor op overeenkomstige wijze gebruik te maken van de in artikel 8:72, zesde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid. Hij stelt een dwangsom vast voor het geval het college in gebreke blijft om binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
8. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden in hoger beroep begroot op € 1.750,- (0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze van appellante, 1 punt voor het bijwonen van de zitting op 7 maart 2024 en 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere zitting op 19 augustus 2024, met een waarde per punt van € 875,-) voor verleende rechtsbijstand. Appellante krijgt ook het in hoger beroep betaalde griffierecht terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N. el Khabazi (getekend) A. van Gijzen