Appellante ontving sinds 2014 een loongerelateerde WGA-uitkering die in 2018 werd beëindigd nadat het UWV haar arbeidsongeschiktheid had vastgesteld op minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische, cognitieve en lichamelijke beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met name vanwege sociale angstigheid en de noodzaak van specialistische dagbesteding. De Raad benoemde een deskundige die concludeerde dat de FML grotendeels de beperkingen weerspiegelt, met een aanvullende beperking ten aanzien van het lezen van visuele informatie zoals pictogrammen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht de WIA-uitkering beëindigde omdat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor appellante. Hoewel de medische onderbouwing pas in hoger beroep toereikend werd, leidde dit niet tot nadeel voor appellante. Wel werd vastgesteld dat de totale procedure bijna zes jaar duurde, wat de redelijke termijn overschreed, waardoor een schadevergoeding van € 2.000,- werd toegekend, verdeeld tussen het UWV en de Staat.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak bevestigt daarmee het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering en regelt de vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn.