Uitspraak
30 januari 2024, 22/530 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg. Volgens artikel 8:41 Awb Pro is griffierecht verschuldigd bij het indienen van een beroepschrift, en deze verplichting geldt ook voor hoger beroep op grond van artikel 8:108 Awb Pro.
Appellante is meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en de betalingstermijnen, maar heeft het griffierecht niet binnen de gestelde termijnen voldaan. Hierdoor is appellante in verzuim geraakt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in aanwezigheid van griffier A. Giesen.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.