ECLI:NL:CRVB:2024:1849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een WIA-zaak. Het UWV nam op 26 maart 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarmee het tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan veroordeeld kan worden in de proceskosten wanneer het beroep wordt ingetrokken vanwege tegemoetkoming. De kosten voor rechtsbijstand in bezwaar werden begroot op €1.248,-, terwijl in beroep en hoger beroep appellante zelf procedeerde zonder professionele rechtsbijstand, waardoor die kosten niet vergoed werden.
Reiskosten voor het bijwonen van zittingen werden wel vergoed, evenals het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van in totaal €1.342,68 aan proceskosten en €185,- aan griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter W.R. van der Velde op 2 oktober 2024.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.