ECLI:NL:CRVB:2024:1856

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 oktober 2024
Publicatiedatum
3 oktober 2024
Zaaknummer
21/2734 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:118 AwbArt. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking incidenteel hoger beroep door college

Betrokkene stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch stelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in, maar trok dit bij brief van 29 april 2024 in. Betrokkene verzocht daarop om proceskostenvergoeding. Het college zag af van het indienen van een verweerschrift en het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 8:75 Awb Pro veroordeeld kan worden in de proceskosten wanneer het hoger beroep wordt ingetrokken. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak werd gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, op 1 oktober 2024. Het college werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan betrokkene.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders wordt veroordeeld tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

Datum uitspraak: 1 oktober 2024
21/2734 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:118 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2021, 20/1084
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.
Het college heeft (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. Weehuizen een zienswijze ingediend.
Bij brief van 29 april 2024 heeft het college het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingetrokken.
Namens betrokkene heeft mr. Weehuizen verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft laten weten af te zien van het recht om een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:118, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld in de proceskosten.
Gelet hierop wordt het college veroordeeld in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 875,- (1 punt voor het indienen van de schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2024.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) A. Giesen