Uitspraak
2 mei 2023, 22/2103
Centrale Raad van Beroep
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. De Raad heeft appellanten meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting om griffierecht te betalen binnen een gestelde termijn. Ondanks deze aanmaningen en een poging tot beroep op betalingsonmacht, is het griffierecht niet tijdig voldaan.
De Raad heeft appellanten verzocht het beroep op betalingsonmacht nader te onderbouwen, maar dit is niet tijdig of volledig gedaan, waardoor het beroep op betalingsonmacht is afgewezen. Vervolgens is appellanten nogmaals gewezen op de betaling van het griffierecht met de waarschuwing dat niet-betaling leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Gezien het uitblijven van betaling en het ontbreken van gegronde redenen voor niet-betaling, oordeelt de Raad dat appellanten in verzuim zijn. Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.