ECLI:NL:CRVB:2024:1881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding wegens rug- en psychische klachten, maar het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De primaire arts en arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast en selecteerden passende functies, wat leidde tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 29,52%.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij meer beperkingen had dan aangenomen, onderbouwd met medische stukken en klachten over pijn, tintelingen en psychische stoornissen. Het UWV handhaafde het besluit na aanvullend onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten overtuigend en consistent waren en dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellant soortgelijke argumenten aan, ondersteund met recente medische informatie, maar deze hadden geen betrekking op de datum in geschil en boden geen aanleiding tot een ander oordeel. De Raad volgde de rechtbank en het UWV, concludeerde dat de beperkingen en arbeidsmogelijkheden juist waren vastgesteld en bevestigde de afwijzing van de WIA-uitkering per 21 april 2021. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering per 21 april 2021 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.