ECLI:NL:CRVB:2024:1911

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 oktober 2024
Publicatiedatum
15 oktober 2024
Zaaknummer
24/752 WLZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht in WLZ-zaak

Appellant, vertegenwoordigd door een gemachtigde, heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam in een zaak betreffende de Wet langdurige zorg (WLZ).

De Raad heeft appellant per brief gewezen op de verplichting tot betaling van een griffierecht van €138,- binnen 28 dagen na verzending van de brief. Appellant heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan, maar is niet tijdig ingegaan op het verzoek van de Raad om het formulier betalingsonmacht in te vullen en terug te sturen. Hierdoor is het beroep op betalingsonmacht afgewezen.

Vervolgens is appellant nogmaals aangetekend herinnerd aan de betaling van het griffierecht met de waarschuwing dat niet-betaling leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het griffierecht is niet betaald binnen de gestelde termijn. De Raad oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

Datum uitspraak: 9 oktober 2024
24/752 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
22 maart 2024, 23/4518 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[wettelijk vertegenwoordiger] te [woonplaats] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
[appellant] (appellant)
het CIZ

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 4 april 2024 is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Per e-mailbericht van 8 april 2024 heeft appellant een beroep op betalingsonmacht gedaan.
Bij brief van 7 juni 2024 heeft de Raad de gemachtigde van appellant verzocht om appellant het formulier betalingsonmacht te laten invullen en binnen vier weken retour te sturen. Daarbij is de gemachtigde van appellant erop gewezen dat indien het formulier niet op tijd retour is gestuurd, of indien gegevens ontbreken, het beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen.
Bij brief van 16 juli 2024 heeft de Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen, aangezien (de gemachtigde van) appellant niet (tijdig) heeft voldaan aan het verzoek van de Raad van 7 juni 2024. Meegedeeld is dat een (nieuwe) herinnering griffierecht zal worden verzonden met het verzoek het griffierecht binnen de in de in de herinnering gestelde betalingstermijn te betalen.
Bij aangetekende brief van 17 juli 2024 is de gemachtigde van appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.
Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2024.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.