ECLI:NL:CRVB:2024:1921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd, die door het UWV per 27 januari 2021 werd geweigerd wegens een arbeidsongeschiktheid van 32%. Appellant stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld, onderbouwd met een later diagnostisch onderzoek dat PTSS en een depressieve stoornis constateerde. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, maar dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom deze nieuwe bevindingen niet leidden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Het UWV herstelde dit motiveringsgebrek met een aanvullend rapport, waarna de rechtbank het beroep grotendeels afwees en de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt dat het telefonische spreekuurcontact met de verzekeringsarts zorgvuldig was en dat een fysiek onderzoek niet noodzakelijk was. De medische beoordeling dat er geen sprake was van een ernstige depressie of invaliderende PTSS op de datum in geding wordt onderschreven. De arbeidskundige beoordeling dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies wordt eveneens gevolgd. De Raad wijst het verzoek om benoeming van een deskundige af omdat er geen aanwijzingen zijn voor een onzorgvuldig onderzoek of twijfel aan de medische beoordeling.
De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat appellant geen WIA-uitkering ontvangt. Tevens wordt het verzoek om vergoeding van proceskosten en griffierecht afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.