ECLI:NL:CRVB:2024:1996
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en loongerelateerde WIA-uitkering
Appellant, voormalig onderhoudsmonteur, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval met schouder- en rugklachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant voor 46,22% arbeidsongeschikt was en kende hem een loongerelateerde WIA-uitkering toe met ingang van 23 juni 2021.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde dat hij meer beperkingen had en dat de IVA-uitkering die hij vanaf 5 december 2022 ontving, met terugwerkende kracht per 23 juni 2021 moest ingaan. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De toegenomen klachten en de IVA-uitkering per 5 december 2022 werden erkend, maar deze wijziging was niet relevant voor de situatie op 23 juni 2021. De geselecteerde functies bleken medisch geschikt en het hoger beroep werd verworpen.
De loongerelateerde WIA-uitkering blijft derhalve in stand en appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten. De uitspraak werd gedaan door H.G. Rottier, in aanwezigheid van griffier S.P.A. Elzer.
Uitkomst: De loongerelateerde WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 46,22% blijft in stand; het hoger beroep wordt verworpen.