ECLI:NL:CRVB:2024:2042

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 oktober 2024
Publicatiedatum
31 oktober 2024
Zaaknummer
23/3365 AOW-V
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:7 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late betaling griffierecht afgewezen

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, maar dit werd door de Centrale Raad van Beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.

Appellante deed vervolgens verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, met als reden dat zij enkele weken in een retraitecentrum verbleef vanwege persoonlijke omstandigheden, ondersteund door een brief van haar huisarts. De Raad oordeelde echter dat de termijn voor het indienen van het verzet niet was nageleefd en dat de opgegeven reden onvoldoende was om het verzuim te verontschuldigen.

De Raad stelde vast dat uit de medische verklaring niet bleek wanneer appellante precies in het retraitecentrum verbleef, waardoor geen aanleiding was om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen. Daarom werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 oktober 2024.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

Datum uitspraak: 24 oktober 2024
23/3365 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 juli 2023, 21/6140 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 3 mei 2024 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Appellante heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld op de zitting van 12 september 2024. Appellante heeft aan deze zitting deelgenomen via een videoverbinding. De Svb heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

In de uitspraak van de Raad van 3 mei 2024 is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, van de Awb en artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn om verzet te doen tegen een uitspraak die is gedaan op de voet van artikel 8:54 van Pro de Awb, zes weken na de verzending van het afschrift van de uitspraak. Het verzet is gedaan op 8 juli 2024 en derhalve niet tijdig. De vraag is dan of er aanleiding is om te oordelen dat appellante redelijkerwijs niet in verzuim is geweest ter zake van de termijnoverschrijding.
Appellante geeft in haar verzetschrift als reden voor de termijnoverschrijding dat zij een aantal weken naar een retraitecentrum geweest. Ter onderbouwing daarvan heeft appellante een brief van haar huisarts met dagtekening 25 april 2024 overgelegd waarin de huisarts schrijft dat appellante over haar toeren is vanwege een crisis in haar kerk en een langlopend conflict heeft met de gemeente waar zij woont over bijzondere bijstand. In het licht van haar voorgeschiedenis met zelfs opnames lijkt het hem een goed plan dat appellante enkele weken rust neemt en zich laat toerusten. In het voorgaande is geen reden gelegen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, reeds omdat uit de brief van de huisarts niet blijkt in welke periode appellante in het retraitecentrum heeft verbleven.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen , in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) F. Sporrel