ECLI:NL:CRVB:2024:2072
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens ontbreken toename beperkingen
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich op 18 oktober 2018 ziek. Het UWV weigerde haar in 2020 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, maar kende haar wel een Werkloosheidswet-uitkering toe. Na meerdere ziekmeldingen en medische beoordelingen stelde het UWV vast dat haar beperkingen sinds de eerdere WIA-beoordeling niet waren toegenomen en beëindigde de Ziektewet-uitkering per 12 september 2022.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen wel waren toegenomen door nieuwe klachten zoals psychische problemen, vermoeidheid door apneu en fibromyalgie, en dat de eerder geselecteerde functies niet meer geschikt waren. Zij overlegde nieuwe medische stukken ter onderbouwing.
De Raad volgde echter het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de nieuwe medische stukken geen aanleiding gaven om het standpunt van het UWV te wijzigen. De verzekeringsarts had voldoende rekening gehouden met alle klachten in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 30 september 2020. De Raad concludeerde dat de weigering van de ZW-uitkering terecht was en wees het hoger beroep af.
De Raad bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, waardoor appellante geen recht heeft op de ZW-uitkering per 12 september 2022 en geen schadevergoeding ontvangt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de ZW-uitkering per 12 september 2022 wegens het ontbreken van een toename van beperkingen.