Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als medewerker interne goederenontvangst, meldde zich op 12 april 2019 ziek. Het UWV weigerde op 10 maart 2021 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht maar geschikt voor diverse functies. Na een nieuwe ziekmelding op 14 december 2021 stelde een verzekeringsarts op 4 februari 2022 vast dat de beperkingen niet waren toegenomen, behalve een extra beperking voor beroepsmatig voertuigen besturen. Het UWV beëindigde daarop de ZW-uitkering per 11 februari 2022.
Appellant voerde aan dat hij door psychische en fysieke klachten volledig arbeidsongeschikt was en overhandigde nieuwe medische stukken, waaronder rapporten van GGZ, een orthopedisch chirurg en fysiotherapeut. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig waren en dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat zijn beperkingen waren toegenomen.
In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel. De Raad stelde dat de medische stukken grotendeels bekend waren of dateren van na de datum in geschil en dat de extra beperkingen niet relevant waren voor de geselecteerde functies. De Raad volgde het standpunt van het UWV dat appellant geschikt bleef voor ten minste drie functies met voldoende arbeidsplaatsen en dat de beëindiging van de ZW-uitkering terecht was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering per 11 februari 2022 terecht is beëindigd wegens onvoldoende toegenomen beperkingen.