ECLI:NL:CRVB:2024:2083
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid onder 35%
Appellante was werkzaam als medewerker dagbesteding/huishoudelijke hulp en meldde zich in 2017 ziek vanwege psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 56,44% vast en kende een WGA-uitkering toe. Zowel appellante als haar ex-werkgever maakten bezwaar tegen dit besluit. Na een psychiatrisch expertiserapport en aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) stelde een arbeidsdeskundige vast dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
Het UWV besloot daarop de WGA-uitkering per 27 januari 2020 te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij het medisch onderzoek en de motivering van het UWV als zorgvuldig werden beoordeeld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische en lichamelijke beperkingen en dat de deskundige niet onafhankelijk was.
De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke psychiater als deskundige, die concludeerde dat de aangepaste FML een juist beeld geeft van de beperkingen van appellante. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderbouwden dat de geselecteerde functies passend zijn, waardoor het arbeidsongeschiktheidspercentage onder de 35% blijft. De Raad oordeelde dat het UWV terecht het besluit tot beëindiging van de uitkering heeft genomen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed. De schending van artikel 7:12 Awb Pro in het bestreden besluit werd gepasseerd omdat appellante hierdoor niet is benadeeld en het besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering van appellante wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%.